Uitspraak nr 17-004 16 okt 2017

Opheffing van een lokale cliëntenraad

Een zorgaanbieder besluit dat een lokale cliëntenraad wordt opgeheven en dat daarvoor in de plaats een bewonerscommissie ingesteld zal worden. Deze cliëntenraad is het niet eens met dit besluit en legt de zaak ter beoordeling voor aan de LCvV. Zorgaanbieder voert aan dat de lokale raad niet meer past in de medezeggenschapsstructuur die per 2015 is vernieuwd en vanwege die nieuwe structuur feitelijk ook geen bestaansgrond meer heeft. In de huidige structuur is er nog één cliëntenraad voor de hele organisaties en daarnaast zijn er bewonerscommissies. Ook heeft de zorgaanbieder er geen vertrouwen meer in dat met deze lokale raad nog goede samenwerking mogelijk is. De raad stelt daar tegenover dat tot de herinrichting in 2015 de samenwerking met de zorgaanbieder altijd goed verliep. Daarna verwaterde het contact en werd zij steeds minder serieus genomen. De lokale raad heeft steeds inspanningen verricht om goed te blijven functioneren en vindt de nieuwe situatie, waarbij er op locaties geen Wmcz rechten meer uitgeoefend kunnen worden, niet naar behoren.

De LCvV concludeert dat de herinrichting destijds is ingevoerd zonder verzwaard advies van deze lokale raad en dat zorgaanbieder aanvankelijk heeft uitgedragen dat deze lokale raad gecontinueerd kon worden. De LCvV vindt de argumenten van zorgaanbieder onvoldoende redengevend en niet overtuigend en disproportioneel in verhouding tot het besluit. De LCvV overweegt dat de zorgaanbieder inhoudelijk geen weerwoord heeft gegeven op de argumenten van verweerder ter zake van de huidige onmogelijkheid voor bewoners en/of hun familieleden om met een beroep op de Wmcz directe invloed op het beleid en met name beslissingen die de dagelijkse leefomgeving in intramurale setting raken uit te kunnen oefenen.

Het oordeel van de LCvV is dat de zorgaanbieder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opheffen van deze cliëntenraad.

 

Download Uitspraak